Klik op de tekst om het item te bekijken.
1. Kijk je onderwerp in de ogen
Zorg dat u op ooghoogte fotografeert. Vooral bij kinderen is dit belangrijk. Zo maakt u de foto persoonlijk.
2. Let goed op de achtergrond
Kijk goed wat er achter het onderwerp staat. Een rustige achtergrond laat je onderwerp beter uitkomen. Zorg er dus voor dat er geen paal uit het hoofd van uw moeder groeit.
3. Gebruik ook buiten de flitser
Bij felle zon komen er diepe schaduwen op het gezicht. Maak de foto met flits en deze schaduwen verdwijnen. Op bewolkte dagen kunt u met de flitser de foto meer sfeer geven. De somberheid verdwijnt.
4. Kom dichterbij
Ga één of twee stappen dichterbij het onderwerp staan. Laat het onderwerp zo de foto vullen. U krijgt meer details op je foto. Maar ga niet te dichtbij, anders wordt de foto onscherp.
5. Niet in het midden 
Zet het onderwerp niet in het midden van de foto. Zorg dat het op één van de kruispunten van deze lijnen staat.
6. Vergrendel de autofocus
Wilt u het onderwerp niet in het midden hebben? Stel dan eerst scherp op het onderwerp. Verplaats het onderwerp uit het midden en maak dan pas de foto. Dit doet u door de scherpstelknop half ingedrukt te houden.
7. Weet hoe ver uw flitser kan flitsen
Ga niet verder dan drie stappen bij het onderwerp vandaan staan. Dan weet u zeker dat de flitser het onderwerp kan bereiken.
8. Kijk naar het licht
Wat voor licht valt er op het onderwerp? Fel licht van de zijkant benadrukt juist de rimpels van uw oma. Maar op een bewolkte dag lijken de rimpels wel te verdwijnen. Ga dus zelf ergens anders staan of verplaats het onderwerp.
9. Houd je camera eens anders
Draai de camera eens om een verticale foto te maken.
10. Beslis zelf hoe het op de foto komt!
U bent de regisseur van de foto. Bepaal dus zelf wie of wat er op de foto komt. En waar de foto genomen wordt en hoe iedereen er op komt. Wees creatief!
Wie kent het niet: u maakt tijdens een vakantie in het buitenland veel foto's, maar na terugkeer in Nederland volgt de teleurstelling. De foto's geven de sfeer ter plekke niet (goed) weer. Om deze teleurstelling te voorkomen geven wij tips voor het maken van betere (vakantie) foto's.
Heb je wel eens naar een foto in een tijdschrift gekeken en je afgevraagd waarom je die foto zo mooi vond? De foto had iets bijzonders, iets magisch. Maar wat? En hoe zou u dezelfde kwaliteit kunnen bereiken? Moderne camera’s zijn zo gemakkelijk in gebruik, dat het maken van een scherpe, goed belichte foto bijna routine is geworden. Het gevolg is dat we overspoeld worden door aanvaardbare, maar niet bepaald spectaculaire foto's. Toch valt het op dat sommige amateurfotografen er wel in slagen foto's te maken die de sfeer goed weergeven. Hoe doen zij dit? Twee belangrijke begrippen: sluitertijd en diafragma.
Combinatie sluitertijd en diafragma
De juiste belichting van een film wordt bereikt door de juiste combinatie van sluitertijd en diafragma (de lensopening). Daar waar de sluitertijd invloed heeft op het al dan niet 'bevriezen' van een beweging, heeft de keuze voor een bepaald diafragma invloed op de scherptediepte van een foto.
Scherpte diepte
Met scherptediepte wordt het gebied bedoeld (van voor tot achtergrond) dat 'scherp' op de foto komt. In principe stelt u scherp op het onderwerp van de foto. Naast het onderwerp zal ook een deel van de voor- en achtergrond scherp op de foto komen. Hoe groot dit gebied is, is mede afhankelijk van het gekozen diafragma.
Hoe groter de lensopening, des te kleiner het gebied dat scherp op de foto komt. Afhankelijk van de foto die u maakt kunt u voor een bepaalde scherptediepte kiezen. Als u uw vader of moeder scherp op de foto wilt hebben, maar de achtergrond niet, omdat deze alleen maar afleidt, dan kunt u kiezen voor het grootste mogelijke diafragma (f2.8), het kleinste getal.
Er zijn echter ook situaties waarbij u een groter gebied scherp op de foto afgebeeld wilt hebben. Dan kunt u kiezen voor een klein diafragma (een groot getal). Dat kan alleen als er voldoende licht is en de sluitertijd daardoor niet onacceptabel lang wordt.
F-waarden 
De grootte van het diafragma wordt uitgedrukt in f-waarden (f-getal). Hierbij is het verwarrende dat een groot diafragma wordt aangeduid met een laag f-getal (bijv. f2.8), terwijl een kleine lensopening wordt aangeduid met een hoog f-getal (bijv. f32). De diafragmawaarden die u op de camera in kunt stellen zijn, net zoals dat bij de sluitertijd het geval is, gestandaardiseerd. Iedere wijziging van het diafragma waardoor de hoeveelheid licht dat op de sensor of film valt halveert of verdubbelt wordt een 'stop' genoemd.
Stop and go
Om de foto goed te belichten zal (bij een gelijkblijvende ISO-waarde) voor elke stop waarmee het diafragma wordt aangepast de sluitertijd ook één stop aangepast moeten worden. Stel dat bij een ingestelde ISO-waarde een foto goed belicht zou worden bij diafragma van 2.8 en een sluitertijd van 1/1000 seconde, bij 4 wordt dat dan 1/500, bij 5,6 1/250 etc.
Door: Wilma Karels
Als je veel dozen met dia’s en foto’s hebt, wordt het tijd om te beseffen dat je dit je nageslacht niet mag aandoen. Dat geldt ook wanneer die foto’s wel keurig zijn ingeplakt, want dan gaat het waarschijnlijk ook om een kast vol. En wat moeten die “kinders” daar dan mee, want niets kan zo maar weg en zoek dat dan maar eens uit? Je kunt er dus na je pensionering meteen een project van maken om die verzameling selectief te gaan scannen en dan op cd of dvd te zetten. Dan kunnen ze later die albums en dozen rustig weg gooien als je daar zelf niet meer aan toe gekomen bent.
Hoog tijd dus om een scanner te gaan kopen en eens na te gaan denken hoe je dit gaat aanpakken. Het is dan verstandig om in jaargangen te denken, dus om de foto’s van 1965 in een map met de naam 1965 op te slaan, enzovoort (zo zou je het trouwens ook moeten doen met je recente foto’s). En het lijkt mij zinvol om je per jaargang te beperken tot ongeveer 100 foto’s, want anders is het eind zoek. Dan word je vanzelf gedwongen om kritisch te selecteren.
Er slingert waarschijnlijk ook nog een allegaartje van oude familiefoto’s rond. Die laten zich niet goed in jaargangen opdelen en het is verstandig om die stapel eerst maar eens te sorteren en de foto’s die nog te moeite waard zijn in min of meer chronologische volgorde op A4-fotobladen te plakken en van leesbare bijschriften te voorzien. Dit nieuwe historische album moet natuurlijk wel in de familie blijven, maar je kunt die bladen dan ook in zijn geheel scannen en op cd zetten, want dan hebben je broers en zussen er meteen al plezier van. Dus begin daar eerst maar eens aan om wat ervaring op te doen.
Apparatuur 
Tegenwoordig zijn printers vaak al voorzien van een scanner (de zogenaamde “all-in-one’s”). Dat lijkt handig, maar die scanners zijn nooit geschikt voor dia’s en negatieven. Daarvoor moet je een speciale filmscanner of een universele flatbed scanner kopen zoals de Canoscan 3000F. Opmerking: controleer wel in de winkel of je diaraampjes goed in de houder passen, want raampjes met glas kunnen vrij dik zijn.
Maar zelfs als je geen dia’s hebt, is zo’n platte doos toch handiger in gebruik dan de hoge all-in-one’s, vooral bij het scannen van de stugge Henzo-albums (die zijn een ramp). Dan kun je beter de negatieven scannen als je die nog hebt (het moeten dan wel kleinbeeldnegatieven zijn) en dat geldt natuurlijk ook als afdrukken beschadigd of lelijk of zoek zijn. Opmerking: een paar jaar geleden heb ik mijn dia’s (meer dan 5000) gescand met een platte Epson 1260P en dat ging prima. Nu ben ik bezig met mijn albums (grote plakboeken) op een hoge HP All-in-one en daar ben ik niet zo tevreden over. Ik heb dus spijt dat ik mijn Epson heb verkocht, maar mijn HP is nog niet versleten, dus doe ik het er voorlopig maar mee.
De fabrikanten hebben altijd de onbedwingbare neiging om allerlei overbodige programma's bij een scanner te leveren en het probleem is dat een onervaren gebruiker denkt dat die allemaal belangrijk zijn. Er is echter maar één klein stukje software van belang en dat is de zogenaamde TWAIN-driver. Als je voor Afbeelding scannen kiest, verschijnt dit venster en wordt er vanzelf een proefscan (preview) gemaakt: Het enige waar het om gaat is dat je de foto globaal kunt inkaderen en dat je de juiste resolutie kunt kiezen. Later kun je immers die “ruwe scans” in een fotoprogramma zoals Picasa keurig bijwerken.
Voor het kiezen van de juiste resolutie geldt de volgende vuistregel: neem 300 dpi (“dots per inch”) voor een standaard 10x15 foto, 400-600 dpi voor kleinere foto’s en 150-200 dpi voor de grotere (tot A4-formaat). Voor dia’s of negatieven moet de hoogste technische resolutie worden gebruikt en die moet minimaal 1200 dpi zijn in beide richtingen. Fake-instellingen zoals 9600 dpi (geïnterpoleerde resoluties) leveren alleen maar gigantische bestanden op die kwalitatief niet beter zijn dan een 1200 of 2400 dpi bestand. Er mag ook geen overdreven verscherping worden toegepast, want dan worden de resultaten korrelig en lelijk.
Scan alles alsof het om kleurenfoto’s gaat en sla deze op als jpg-bestanden van hoge kwaliteit (90%). Voor dia’s en negatieven heeft de scanner echter speciale voorzieningen en zul je ook speciale instellingen moeten kiezen. Oefen dus eerst om die instellingen te leren kennen voordat je aan het echte seriewerk begint.
Opmerking: ik ben nog aan het uitzoeken waarom scans van zwart-witfoto's uit de zeventiger jaren vaak zo'n oncorrigeerbare overbelichte indruk maken. Dat komt vermoedelijk doordat de witmakers in dat fotopapier reageren op de uv-component in de lichtbron van de scanner. De eerste experimenten met filterfolie lijken hoopgevend. Zodra ik werkbare resultaten heb, zal ik die hier vermelden.
Het scannen zelf
Waar het in het stadium van scannen om gaat is dat je heel efficiënt leert werken, want je moet er immers honderden of duizenden! Het doet er dan ook nog helemaal niet toe waar die gescande foto’s worden opgeslagen: dat mag nog in een tijdelijke map met tijdelijke bestandsnamen. De gescande foto kun je daarna direct naar een definitieve map overbrengen, bijvoorbeeld de map 1965. Je hoeft dan later alleen de bestandsnamen aan te passen, want “image0” is wel erg vaag – dat moet zoiets als 1965-24 worden. Naast dia's en foto’s is het ook verstandig om per jaargang een paar karakteristieke documentjes te scannen zoals rouw- en trouwkaarten.
Foto's corrigeren
Na het scannen kun je de foto's corrigeren. De standaard correcties zijn zoals altijd: rechtmaken, bijsnijden en eventueel wat licht invullen.
Maar er zijn twee effecten die ook van belang kunnen zijn: een beetje scherper maken (indien nodig) en z/w. Doordat je de zwart-wit foto’s hebt gescand alsof het kleurenfoto’s zijn, komt de speciale tint van oude foto’s goed over. Bij historische foto’s is dat prima, maar bij foto’s uit de zestiger jaren kun je er misschien beter voor kiezen om ze toch met neutrale grijstinten weer te geven door in Picasa voor Z/W te kiezen.
Zo kun je dus een hele jaargang afwerken en in Picasa in een goede volgorde zetten. Als je ook dia’s hebt gescand, kun je die tussen de zwart-wit foto’s voegen. Dat is heel bijzonder, want zo samen kon je ze vroeger nooit bekijken (dan blijkt ook dat Picasa een fantastisch programma is, want handmatig ordenen kan in bijna geen enkel ander programma). Daarna kun je ze (als dat nog nodig is) in Picasa naar een definitieve map verplaatsen en gaan hernummeren, bijvoorbeeld in de stijl van 1965-1 (dat kan Picasa ook voor je doen). Hier zie je een gedeelte van zo’n oude jaargang:
Beschrijving
Het is belangrijk om te beseffen dat niet alle foto’s vanzelfsprekend zijn, dus dat er onderschriften en eventueel trefwoorden nodig zijn.
Back-up
Je kunt waarschijnlijk een stuk of 10 jaargangen op één cadeau-cd kwijt en op één cadeau-dvd misschien wel je hele leven. Maar voor je zover bent moet je toch in Picasa regelmatig een normale back-up maken om eventuele computerrampen te kunnen overleven. Die oude jaargangen zijn immers extra kostbaar omdat je er zoveel werk aan hebt gehad. Maar die zijn dan ook zeer de moeite waard en toch doet bijna niemand dit.

